Aanpassing van de Veldekespelling
Het uitgangspunt dat een schrijver van een streektaal die vlot en zonder veel moeite gelezen wil worden, zijn schrifttekens zo dicht mogelijk dient aan te laten sluiten bij die van de standaardtaal van een land, levert in de praktijk echter vele leesproblemen op. De grote uitdaging is dan ook om een zo toegankelijk mogelijke spelling voor het Limburgs te maken. Het aanwenden van een aantal eenvoudige taalkundige principes zorgt er, mijns inziens, voor dat de Veldekespelling op een aantal punten eenvoudiger, consistenter en herkenbaarder wordt.
1. Gebruik altijd de grafemen iê, oê en uû voor lange hoge klinkers
De regel dat het medeklinkergrafeem na de korte klinkergrafemen ie, uu en oe steeds wordt verdubbeld in meerlettergrepige woorden, is bijzonder. Vergelijk bijvoorbeeld Veldeke-Limburgs gebruukke en boerre met Nederlands duren en boeren. De reden waarom deze conventie is ingevoerd, is duidelijk. Veldeke wil vasthouden aan het principe om de medeklinker na een korte, beklemtoonde klinker te verdubbelen. In het geval van de lange klinkergrafemen iê ~ ie-, oê ~ oe- en uû ~ u- wil ik voorstellen dat de lange klinkers ook het accent circumflex (^) behouden in open lettergrepen, zodat deze klinkergrafemen elk een allografische variant minder overhouden. In plaats van gebruuk ~ gebruukke of gebruûk ~ gebruke wil ik voorstellen om de volgende vormen te schrijven:
- gebruuk ~ gebruke ‘gebruik’ ~ ‘gebruiken’
- gebruûk ~ gebruûke
Kortom, pas het economische principe niet meer toe op uû ~ u-, maar wel nog op ee ~ e-, oo ~ o- en aa ~ a-. Op deze wijze gedragen de grafemen iê, oê en uû zich hetzelfde als ae, eu, äö en ao, die ook geen allografische varianten hebben.
2. Vervang het accent aigu in ó door een accent grave
Gebruik een accent grave (`) voor zowel /ɛ/ als /ʊ/. Kortom, vervang het accent aigu (´) in het Veldekegrafeem ó door een accent grave.
- hèl /hɛ1l/ ‘hel’
- zòn /zʊ1n/ ‘zon’
3. Ken de onbeklemtoonde klinker een eigen grafeem ë toe
Vanuit fononologisch oogpunt verdient het de voorkeur om de ‘onbeklemtoonde klinker’, oftewel het schwa-foneem, een apart schriftteken toe te kennen, bijvoorbeeld het teken ë, dat door Veldeke gebruikt wordt bij de naslag.
- ët /ət/ ‘het’
- ën /ən/ ‘een’
- dë /də/ ‘de’
4. Gebruik een apostrof (‘) om sleeptoon aan de geven
Vanuit estetisch en typografisch oogpunt verdient het de voorkeur om een ander schriftteken dan een tilde te gebruiken voor de sleeptoon in woorden als boê~r ‘boer’. Een apostrof voor de geaccentueerde lettergreep met sleeptoon kan in plaats van de tilde worden gebruikt.
- ‘tuût /ty:2t/ ‘zak’
- ‘roêt /ru:2t/ ‘ruit’
5. Schrijf gg in plaats van gk
Het verschil tussen de plofklanken /p/ en /b/, enerzijds, en /t/ en /d/, anderzijds, blijkt uit de vele minimale paren die er zijn. Het stemhebbende foneem /g/ leidt een marginaal bestaan als geminaat /gg/ na korte klinkers. Het verschil tussen /k/ en /g/ is slechts van belang tussen twee klinkers waarvan de eerste kort is. Aan het begin van woorden heeft de Germaanse plofklank /g/ zich ontwikkeld tot een stemhebbende wrijfklank /ɣ/:
- ‘paort /pɔ:2rT/ ‘poort’
- ‘baort /bɔ:2rT/ ‘boort’
- ‘toê /tu:2/ ‘dicht, toe’
- ‘doê /du:2/ ‘jij’
- lökkë /’lœkə/
- bröggë /’brœgə/ ‘bruggen’
6. Schrijf sl, sm, sn, sp en st in plaats van sjl, sjm, sjn, sjp en sjt
Het fonologisch verschil tussen de wrijfklanken /f/ en /v/, /s/ en /z/ en /x/ en /ɣ/ is marginaal betekenisonderscheidend in het Limburgs. Dit verschil is gefonologiseerd onder invloed van leenwoorden. De fonemen /v/, /z/ en /ƒ/ komen voor aan het begin van woorden (in Anlaut) en intervocaal na lange klinkers of in lettergreepinitiële positie na klinkers (in Inlaut):
- veer /ve:1r/ ‘vier’
- ‘ziê /zi:2/ ‘zij’ (persoonlijk voornaamwoord)
- gëlök /ɣə’lœk/ ‘geluk’
- ‘lever /’le:2vər/ ‘liever’
- ‘laezer /’lɛ:2zər/ ‘lezer’
- ‘vlaegel /vlɛ:2ɣəl/ ‘vlegel, bengel’
Deze distributie is het gevolg van een historisch proces waarbij Germaanse stemloze medeklinkers in bepaalde posities stemhebbend werden uitgesproken. De medeklinkers /f/, /s/ en /x/ komen met name voor in geminaten na korte klinkers en als beginmedeklinker in leenwoorden:
- höffë /’hœfə/ ‘tillen’
- essich /’æsɪx/ ‘azijn’
- lachë /’lɑxə/ ‘lachen’
- fits /fɪTS/ ‘fiets’
- ‘sul /sʏ2l/ ‘sul’
- chloor /xlo:1r/ ‘chloor’
Er bestaat dus een duidelijk fonemisch contrast tussen /s/, /z/ en /S/ aan het begin van woorden:
- ‘saap /sa:2P/ ‘sap’
- ‘zaat /za:2T/ ‘zat’
- ‘sjaap /ʃa:2P/ ‘schap’
- ‘zeip /zɛi2P/ ‘zeep’
- ‘sjeif /ʃɛi2F/ ‘scheef’
- sjeif /ʃɛi1F/ ‘scheve’
Dit contrast is echter afwezig voor de medeklinkers /l/, /m/, /n/, /p/ en /t/. We kunnen zeggen dat het verschil tussen /s/, /z/ en /S/ wordt geneutraliseerd voor /l/, /m/, /n/, /p/ en /t/. Een element dat een neutralisatie of afwezigheid van een contrast tussen twee fonemen vertegenwoordigt, wordt archifoneem genoemd. Archifonemen zijn fonologische entiteiten met fonetische inhoud. Archifonemen worden in de regel getranscribeerd door middel van een hoofdletter. Het archifoneem /S/, dat een neutralisatie tussen /s/, /z/ en /ʃ/ vertegenwoordigt, komt voor in de combinaties /Sl/, /Sm/, /Sn/, /Sp/ en /St/. Ten oosten van de Panninger Lijn wordt het archifoneem /S/ gerealiseerd als [ʃ], terwijl dit archifoneem als [s] wordt gerealiseerd ten westen van de Panninger Lijn. Vanuit economisch oogpunt verdient het de voorkeur om de volgende vormen te schrijven in plaats van de fonetisch gebaseerde Oost-Panninger vormen met sjl [ʃl], sjm [ʃm], sjn [ʃn], sjp [ʃp] en sjt [ʃt].
- ‘slaon /Slɔ:2n/ ‘slaan’
- ‘smiêtë /’Smi:2tə/ ‘gooien’
- snoêvë /’Snu:1və/ ‘snuiven’
- ‘spaor /Spɔ:2r/ ‘spoor’
- straot /Strɔ:1t/ ‘straat’
7. Elimineer het grafeem zj en schrijf sw in plaats van zjw
Als een bepaalde klank voorspeld kan worden door de omgeving waarin die klank voorkomt, dan is die klank wellicht een variant of allofoon van een andere foneem. Een klank die geen foneem vertegenwoordigt, hoeft vanuit economisch standpunt geen onderdeel te vormen van het schriftstelsel. De klank [ʒ], die traditioneel als zj wordt weergegeven en overeenkomt met de j in het Franse jouer ‘spelen’, komt bijvoorbeeld in het Susterens alleen voor in combinatie met [w]. Er kan gesteld worden dat [ʒ] een allofoon is van de archifoneem /S/ voor het foneem /w/. Ook hier vertegenwoordigt /S/ een neutralisatie tussen /s/, /z/ en /ʃ/. In een fonologische gebaseerde spelling dient men de volgende onderstaande vormen te schrijven, terwijl een fonetisch gebaseerde spelling zjwaegël [‘ʒwɛ:2ɣəl] ‘lucifer’ en zjweitë [‘ʒwɛi2tə] ‘zweten’ zou bevoorkeuren, omdat deze spelling dichter bij de uitspraak ligt.
- ‘swaegël /’Swɛ:2ɣəl/ ‘lucifer’
- ‘sweitë /’Swɛi2tə/ ‘zweten’
8. Schrijf njt, ljt, njd, ljd in plaats van ntj, ltj, ndj, ldj
De secondaire palatale articulatie van [nj], [lj], [njtj] en [ljtj] kan diachronisch worden geanalyseerd als mouillering van /n/ en /l/ voor /t/ en /d/. De klank [nj] wordt uitgesproken als ñ in het Spaanse señor ‘mijnheer’ en [lj] als li in het Franse lier [lje] ‘binden’. De klank [tj] klinkt ongeveer als c [c] in Indonesisch acar ‘atjar’. De mouillering komt niet voor aan het begin van woorden, omdat de clusters */nt/, */nd/, */lt/ en */ld/ historisch niet voorkomen aan het begin van woorden. De mouillering komt wel voor tussen twee klinkers en aan het einde van woorden. Er bestaat er een duidelijk fonologisch contrast tussen ongepalataliseerde en gepalataliseerde klanken, zoals blijkt uit de volgende woorden:
- ‘ein [ɛi2n] ‘een’
- ‘sjel [ʃæ2l] ‘schel’
- vilt [vɪ1lt] ‘(hij) valt’
- ‘krènt [kʀɛ2nt] ‘krent’
- aenj [ɛ:1nj] ‘eend’
- sjelj [ʃæ1lj] ‘(ik) scheld’
- ‘viljt [vɪ2ljtj] ‘vilt’
- ‘kènjd [kɛ2njtj] ‘kind’
Een aparte fonologische status voor de klank [tj] is verdacht in het Susterens, omdat [tj] alleen voorkomt na de klanken [nj] en [lj] en dus distributioneel gebonden is. Naar alle waarschijnlijkheid hebben we dus te maken met een mouillering van het archifoneem /T/ na [nj] en [lj]. Er kan wellicht wel geconcludeerd worden dat [nj] en [lj] de status van foneem hebben met beperkte distributie. Vanuit historisch en economisch perspectief wens ik echter [nj] en [lj] te analyseren als de clusters /nj/ en /lj/:
- manj /mɑ1nj/ ‘mand’ (vs. ‘man /mɑ2n/ ‘man’)
- meljë /mæ1ljë/ ‘melden’
- ‘tanjd /tɑ2njT/ ‘tand’
- ‘lònjt /lʊ2njT/ ‘lont’
- ‘veljd /væ2ljT/ ‘veld’
- ‘böljt /bœ2ljT/ ‘bult’
Het archifoneem /Tj/ komt eventueel voor in dialecten waar vormen als gevatj bestaan (mits deze woorden verschillen van hypothetische woorden als *gevat). In werkwoordsvormen waarvan de stam op /nj/ en /lj/ eindigt, hecht de persoonsuitgang zich aan de stam, bijvoorbeeld meljt /mæ1lTj/ ‘(hij) meldt’. De schrijfwijzen dj en tj worden hier verworpen.
9. Spel eindplof- en wrijfklanken zoals in het Nederlands
De fonologisch relevante verschillen tussen stemhebbende en stemloze plof- en wrijfklanken komen niet voor in Auslaut. Aan het einde van lettergrepen worden deze klanken altijd stemloos uitgesproken. We kunnen dus zeggen dat het verschil tussen /p/ en /b/, enerzijds, en /t/ en /d/, anderzijds, wordt geneutraliseerd in eindposities. In tegenstelling tot het Nederlands, dat geen foneem /g/ kent, is de [k] aan het einde van een woord in het Limburgs ook een archifoneem:
- gëlök /ɣə’lœK/
- brögg /’brœK/ ‘brug’
Omdat het contrast tussen stemhebbende en stemloze plof- en wrijfklanken in het Limburgs wordt geneutraliseerd in Auslaut positie, kunnen [ɪx hœp] ‘ik heb’ en [hɛ:2 lœp] ‘hij loopt’ als volgt worden gespeld. De spellingen met ch en p zijn dan fonetisch gemotiveerd.
- ich höp
- ig höb
- ‘hae löp
- ‘hae löb
Laten we vervolgens kijken de Veldekespellingen Zittert ‘Sittard’, Lömmerig ‘Limbricht’ en hóndj ‘hond’. Deze spelling van de eindmedeklinkers is inconsequent, want in Zittert /’zɪtərT/ wordt het archifoneem /T/ met het stemloze grafeem t geschreven, terwijl de archifonemen /X/ en /T/ in Lömmerig /’lœ1mərɪx/ ‘Limbricht’ en ‘hóndj /hʊ2njT/ ‘hond’ met de stemhebbende grafemen g en d(j) worden geschreven. Geen Limburger zal echter [‘lœ1mərɪɣ] zeggen met dezelfde [ɣ] als in gek [ɣæk] ‘gek’. De geschreven eind-g wordt daarentegen even stemloos uitgesproken als de ch in ich [ɪx] ‘ik’. We kunnen dus vaststellen dat de eindmedeklinker archifonemen /P, T, K/ als stemloze medeklinkers worden weergegeven. Dus, Zittert, Lömmerich en hònjt. De spelling voor het Limburgs wordt geraffineerder als wij de Nederlandse morfofonologische regels met betrekking tot de spelling van plof- en wrijfklanken overnemen. Vanuit het Nederlands weten we bijvoorbeeld dat paard met een d geschreven dient te worden geschreven, omdat het meervoud paarden is. Daarentegen dient lont met een t te worden geschreven, omdat het meervoud lonten is. Dankzij onze kennis van het gehele taalstelsel kunnen we dus achterhalen dat het archifoneem /T/ soms terugslaat op een d en soms op een t.
10. Spel t na p, t, k, f, s, ch, m, ng zoals in het Nederlands
Woordformatieprocessen leren ons ook dat [zɑx] ‘zacht’ kan worden gekoppeld aan [zɑxt-] in [‘zɑxtəʀ] ‘zachter’, en dat er een verband bestaat tussen [lœp] ‘(hij) loopt’ en [lœpt-] in [‘lœptəʀ] ‘loopt hij’. Kortom, we kunnen duidelijk aantonen dat het archifoneem /T/ aan het eind van woorden niet wordt uitgesproken na [p, t, k, f, s, x, m, ŋ], maar wel na [r, l, n]. Ik stel voor om ook hier niet fonetisch te spellen, maar om de de t vanwege structurele redenen daadwerkelijk te schrijven. Ook hier is de analogie met het Nederlands uiterst zinvol en levert een structureel fonologische of morfofonologische analyse van het Limburgs een herkenbaar woordbeeld op.
- ‘hae löpt [hɛ:2 lœp] ‘hij komt’
- ‘hae kalt [hɛ:2 kɑ1lt] ‘hij praat’
- ‘hae ‘kumt [hɛ:2 kʏ2mp] ‘hij komt’
- ‘hae zungt [hɛ:2 zʏ1ŋk] ‘hij zingt’
- ‘hae ‘zunkt [hɛ:2 zʏ2ŋk] ‘hij zinkt’
- ‘hae kènt [hɛ:2 kɛ1nt] ‘hij kan; hij kent’