Veldekespelling
Met de onder het Criterium van Presentie genoemde ‘orthografische conventies’ worden verwezen naar de aanwijzigingen van de Vereniging Veldeke Limburg voor de spelling van de Limburgse dialekten. De zogeheten ‘Veldekespelling’ is gebaseerd op de regels die werden toegepast door Kats en Roukens in de jaren 1940 en 1950. De Veldekespelling werd definitief vastgelegd door Notten (1983) en later aangescherpt door Crompvoets (2001).
Spellingsprincipes
Uitgangspunt van de Veldekespelling is om Limburgse woorden zoveel mogelijk te schrijven volgens de conventies die gelden voor het Nederlands. Het Veldekeschrift is geen fonologisch schrift, maar een bijzondere mengvorm van verschillende taalkundige principes. Volgens Crompvoets dient men te spellen volgens de volgende principes:
- Algemene principes:
-
- Het woordisolerend principe. Dat houdt in dat men de spelling voor het geïsoleerde woord moet bepalen, niet voor het woord dat beïnvloed is door omringende woorden;
- Het economisch principe. Dit houdt in dat men bij het schrijven van elk woord zo weinig mogelijk tekens moet gebruiken (geen oo, aa, ee, uu als o, a, e, u voldoende is).
- Principes die de keuze van tekens verantwoorden:
-
- Spel zoals de klank gebiedt;
- Spel woorden en woorddelen altijd op dezelfde manier;
- Spel zó dat de woordgeschiedenis uit de spelling blijkt;
- Spel zoals de traditie dat gebiedt;
- Spel zó dat de lezer steun heeft van zijn standaardtaal.
Bovendien dient men vanwege de herkenbaarheid vreemde woorden (leenwoorden) in eerste instantie op de buitenlandse wijze te schrijven. Zijn ze gedeeltelijk aangepast, dan schrijft men ze gedeeltelijk in het Limburgs. Zijn ze geheel ingeburgerd, dan schrijft men ze geheel op de Limburgse manier. Men schrijft computer en niet kompjoeter, fax en niet faks, telefoon en niet tillefoon. De tendens is dus om vreemde woorden zo veel mogelijk intact te laten.
Een mengvorm van principes
Het Veldekeschrift houdt het midden tussen een fonetisch, fonologisch, morfofonologisch en historisch schrift:
- Het Veldekeschift is deels een historisch relict, omdat bijvoorbeeld gesteld wordt dat het Nederlandse achtervoegsel -lijk in het Limburgs als -lek [lək], -lik [lɪk], -lig [lɪx] of -lich [lɪx] gespeld kan worden, terwijl het Nederlandse achtervoegsel -ig in het Limburgs als -ig [ɪx], -eg [əx] en -ieg [ix] gespeld kan worden. Er is echter geen enkel fonetisch en fonologisch relevant verschil tussen de eindmedeklinkers -g of -ch, die beide als [x] worden gerealiseerd. Het orthografisch verschil tussen de eindmedeklinkers -g of -ch is historisch bepaald.
- Het Veldekeschrift is soms morfofonologisch van aard als gevolg van het woordisolerend principe. Zo volgt er geen medeklinkerverdubbeling na een buigings -e, bijvoorbeeld lelike, akelige.
- Het Veldekeschrift is zeker niet puur fonetisch van aard, omdat bijvoorbeeld de svarabhaktiklinker [ə] (schwa) in bijvoorbeeld /mɛl1k/ [mɛlək] niet wordt geschreven.
De band tussen spraak en schrift
Het niet weergeven van bepaalde fonologische contrasten in de spelling is natuurlijk niet fout of verkeerd, dit in tegenstelling tot het niet weergeven van fonologische contrasten in een fonologische transciptie. Er zijn genoeg voorbeelden van talen waarin er een aanzienlijke discrepantie bestaat tussen spraak en schrift, zoals het Engels en Frans. Een groot voordeel van een lossere band tussen spraak en schrift is dat het schrift kan worden gebruikt voor meerdere lokale varianten. Met name de Werkgroep Algemeen Geschreven Limburgs stelt dat een schriftstelsel geen fonologisch transcriptiemodel is voor plaatselijke uitspraak. Volgens de Veldekespelling bestaat er echter een nauwe band tussen spraak en schrift. Het Veldekeschriftstelsel voorziet in een grote hoeveelheid aan tekens om de meest uiteenlopende fonetische nuances tot uitdrukking te brengen. Persoonlijk ben ik ook voorstander van een tamelijk nauwe band tussen spraak en schrift. Een meer toegankelijke spelling voor de Limburgse dialecten kan, mijns inziens, worden verkregen door meer dan voorheen nadruk te leggen op gezamelijke fonologische kenmerken van de Limburgse dialecten.
Schrifttekens
Zoals het Nederlandse schrift is het Veldekeschrift feitelijk fonografisch van aard; dat wil zeggen, elk schriftteken (grafeem) geeft een bepaalde klankeenheid (foon) weer. Veldeke stelt dat een schrijver van een streektaal die vlot en zonder veel moeite gelezen wil worden, zijn schrifttekens zo dicht mogelijk dient aan te laten sluiten bij die van de standaardtaal van een land. Als bepaalde klanken van de streektaal echter niet voorkomen in de standaardtaal, dan dient de schrijver gebruik te maken van geschikte schrifftekens uit omringende talen. Bijvoorbeeld, volgens Veldeke dient de klank /a:/ te worden worden weergegeven door het grafeem aa ~ a-, omdat de klank /a:/ ook in het Nederlands voorkomt. De in het Nederlandse afwezige klank /œ/ dient daarentegen te worden weergegeven als ö, dat weer wel in het Duits voorkomt.
Crompvoets verbeteringen
Crompvoets (2001) voert een aantal interessante verbeteringen door met betrekking tot de grafemen voor bepaalde karakteristieke Limburgse klanken:
- Notten (1983) geeft het fonologisch contrast tussen bepaalde lange en korte hoge klinkerfonemen niet weer in zijn spelling. Zo geeft hij de lange klinkers /i:/ in mien ‘mijn’, /y:/ in tuut ‘zak’ en /u:/ in roet ‘ruit’ weer met dezelfde schrifttekens als de korte klinkers /i/ in Mien ‘Mien’, /y/ in Ruud en /u/ in boete ‘boete’. Crompvoets (2001) maakt daarom gebruikt van het accent circumflex (^) om lange hoge klinkers aan te duiden.
- Notten (1983) heeft geen eenduidige grafemische voorzieningen getroffen voor het weergeven van het fonologische contrast tussen Toonaccent 1 of stoottoon (aangegeven met 1 in mijn transcriptie) en Toonaccent 2 of sleeptoon (aangegeven met 2 in mijn transcriptie). Wil men sleeptoon aangeven, dan doet men dit, volgens Crompvoets, met het plaatsen van een tilde (~) achter de klinker.
De algemene principes
Korte klinkergrafemen komen in de regel voor in gesloten lettergrepen, dat wil zeggen in lettergrepen die eindigen op een medeklinker. Om een lettergreep met een kort klinkergrafeem orthografisch gesloten te houden:
- worden korte klinkergrafemen aan het einde van woorden gevolgd door een h, bijvoorbeeld wah [wɑ] ‘wat’ en mih [mɪ] ‘met’;
- worden medeklinkergrafemen die uit een enkel element bestaan, verdubbeld in meerlettergrepige woorden , bijvoorbeeld boerre [‘buʀə] ‘boeren’, garre [‘ɣɑʀə] ‘garen’, kunning [‘kʏnɪŋ] ‘koning’, gebruukke [ɣə’bʀykə] ‘gebruiken’ en gojje [‘ɣɔjə] ‘gooien’.
Lange eenklankige grafemen en tweeklankige grafemen komen voor in zowel open als gesloten lettergrepen. De tweeklankige grafemen, die altijd uit twee verschillende elementen bestaan, gedragen zich orthografisch als de lange eenklankige grafemen die uit twee verschillende elementen bestaan.
- In gesloten lettergrepen bestaan deze grafemen in de regel uit twee elementen: ee, oo, uû, iê, oê, ae, àè, eu, äö, ao en ei, ij, ui, ou en au (behalve â dus).
- De lange eenklankige grafemen die uit twee identieke of bijna-identieke elementen bestaan in gesloten lettergrepen, gebruiken verkorte allografen in open lettergrepen, bijvoorbeeld gare /’ɣa:2rə/ ‘garen’, gebruke /ɣə’bry:2kə/ ‘gebruiken’ en goje /’ɣo:1jə/ ‘gooien’.
- De eenklankige grafemen die uit twee verschillende elementen bestaan, verliezen het accent circumflex, bijvoorbeeld boere /’bu:2rə/; of blijven ongewijzigd, bijvoorbeeld keuning /’kø:2nɪŋ/ ‘koning’.
Medeklinkergrafemen die uit twee elementen bestaan, sluiten een lettergreep altijd af, bijvoorbeeld lache /’lɑxə/ ‘lachen’ en zègke /’zɛgə/ ‘zeggen’.
Medeklinkers |
||
| Klank | Veldeke 2000 | Opgenort 2004 |
| [p] (Ned. pad) [t] (Ned. tak) [tj] (Ned. lontje) [k] (Ned. kar) [b] (Ned. bad) [d] (Ned. dak) [g] (Fr. garçon) |
p t tj, dj k b d gk |
p t tj, dj k b d gg |
| [f] (Ned. fiets) [s] (Ned. sein) [ʃ] (Engels shoe) [x] (Duits ich) [v] (Frans vie) [z] (Duits sein) [ʒ] (Frans jeu) [ɣ] (stemhebbende [x]) |
f s sj ch v z zj g |
f s sj ch v z - g |
| [m] (Ned. mat) [n] (Ned. nat) [ɲ] (Ned. oranje) [ŋ] (Ned lang) |
m n nj ng |
m n nj ng |
| [l] (Duits lang) [ʀ] (Frans rue) [j] (Ned. jas) [w] (Vlaams water) [h] (Ned. hak) |
l r j w h |
l r j w h |
Klinkers1 |
||
| Klank | Veldeke 2000 | Opgenort 2004 |
| [ɪ ] (Ned. kip) [i] (Ned. biet) [i:] (Ned. bier) [e:] (Frans été) [ɛ] (Frans mettre) [ɛ:] (Frans maître) [æ] (Engels bat) |
i ie iê ~ ie- ee ~ e- è ae e |
i ie iê ee ~ e- è ae e |
| [ʏ] (Ned. put) [y] (Ned. minuut, minuten) [y:] (Ned. buurt) [ø:] (Ned. deur) [œ] (Duitse Köln) [œ:] (Frans freule) |
u uu uû ~ u- eu ö äö |
u uu ~ u- uû eu ö äö |
| [ʊ] (Engels books) [u] (Ned. boek) [u:] (Ned. boer) [o:] (Frans beau) [ɔ] (Ned. pot) [ɔ:] (Frans corps) |
ó oe oê ~ oe- oo ~ o- o ao |
ò oe oê oo ~ o- o> ao |
| [ɑ] (Ned. kat) [a:] (Ned. vaart, varen) [ə] (Ned. het) |
a aa ~ a- e |
a aa ~ a- ë |
| [ɛi] (Ned. meid, zijn) [œy] (Ned. muis) [ɔu] (geen voorbeeld) [ɑu] (Ned. flauw) |
ei, ij ui ou au |
ei, ij ui ou au |
|
1Tweeklanken met zogenaamde ‘naslag’ (off-glides) worden volgens de Veldekespelling gevormd door middel van de aanhechting van -ë, è, -j of -w, bijvoorbeeld ieë, iè, iejen iew. Het Veldekeschrift kent bovendien nog het schriftteken àè voor de klank e van het Nederlandse pet, maar dan lang (dus [æ:]), á voor de a in het Noord-Limburgse De Smakt (dus vermoedelijke [a]), en â voor de a in het Engelse car (dus [ɑ:]). In mijn grafemische inventaris hierboven wordt er echter geen rekening gehouden met de klanken van niet-Zuid-Nederfrankische dialecten in Limburg. |