Zuid-Nederfrankisch
De naam ‘Limburgs’ is een van oorsprong aardrijkskundige term met hedendaagse taalkundig connotaties. In enge zin verwijst deze term naar de Zuid-Nederfrankische dialectgroep van het West-Germaans. In meer ruime zin wordt deze term gebruikt om alle taalvariaten die in de provincies Limburg worden gesproken, mee aan te duiden, inclusief de Noordoost-Brabantse en Kleverlandse dialecten uit Noord-Limburg.
Een eigen taalkundige ontwikkeling
Het Zuid-Nederfrankische Limburgs heeft een eigen taalkundige ontwikkeling doorgemaakt die los staat van de ontwikkeling van het Algemeen Nederlands. Het Limburgs wijkt niet alleen af van het Algemeen Nederlands qua klankstelsel, grammatica en woordenschat, de Limburgse taal heeft bovendien een zeer geringe bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van de Nederlandse standaardtaal. Omdat het Limburgs geen historische afgeleide is van het Nederlands, maar op een taxonomisch gelijk niveau staat, wordt het Limburgs inmiddels niet meer langer algemeen beschouwd als een dialect van het Algemeen Nederlands. Het Limburgs vertoont sterke overeenkomsten met de Ripuarische of Middenfrankische dialecten, die Keulen als centrum hebben.
![]() Berekende afstand van 156 verschillende autochtone taalvarianten tot het Algemeen Nederlands. Het Limburgs is een van de meest van het Nederlands afwijkende streektalen. Het Fries is een van de minder van het Nederlands afwijkende streektalen. (Naar Hoppenbrouwers 2001) |
