Het Limburgs is een taal die wordt gesproken door meer dan een miljoen mensen in de Nederlandse en Belgische provincies Limburg. Het Limburgs moet niet worden verward met de wijze waarop Limburgers het Algemeen Nederlands (AN) realiseren, zoals de zachte g, het melodisch accent en de uitspraak van de Nederlandse klinker /ɛ/ als de a in het Engelse bat “vleermuis”. Het Limburgs is dus iets anders dan een Limburgs accent tijdens het spreken van het Algemeen Nederlands. Het Limburgs is sinds 14 februari 1997 erkend als streektaal volgens het Europees Handvest voor Streek- en Minderheidstalen. Het Limburgs wordt niet alleen door een groot deel van de bevolking dagelijks gebruikt, maar kent eveneens een zekere mate van codificatie: de Veldekespelling.
De naam ‘Limburgs’ is een van oorsprong aardrijkskundige term met hedendaagse taalkundig connotaties. In enge zin verwijst de term ‘Limburgs’ naar de Zuid-Nederfrankische dialectgroep van het West-Germaans. In ruimere zin wordt deze term echter gebruikt om alle taalvarianten mee aan te duiden die in de provincies Limburg worden gesproken, inclusief met name de Noordoost-Brabantse en Kleverlandse dialecten uit Noord-Limburg.

Het Limburgs heeft een eigen taalkundige ontwikkeling doorgemaakt die los staat van de ontwikkeling van het Algemeen Nederlands. Het Limburgs wijkt niet alleen af van het Algemeen Nederlands qua klankstelsel, grammatica en woordenschat, de Limburgse taal heeft bovendien een zeer geringe bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van de Nederlandse standaardtaal. Het Limburgs is geen historische afgeleide van het Nederlands, maar staat op taxonomisch niveau gelijk hieraan. Linguïstisch staat het Limburgs verder af van het Algemeen Nederlands dan andere dialecten en streektalen in Nederland (van Hout en Münstermann 1981). Het Limburgs vertoont sterke overeenkomsten met de Ripuarische of Middenfrankische dialecten, die Keulen als centrum hebben.
Midden jaren 90 van de vorige eeuw is op verzoek van het provinciebestuur van Limburg via de Vereniging Veldeke Limburg de Werkgroep Erkenning Limburgs als Streektaal ingesteld. Deze werkgroep stond onder leiding van Joep Leerssen en had tot taak een wetenschappelijk gemotiveerd advies uit te brengen over de vraag of het Limburgs niet eveneens voldeed aan de criteria om in aanmerking te komen voor erkenning als streektaal volgens het Europees Handvest voor Streek- en Minderheidstalen.
De criteria die eerder werden gehanteerd voor de erkenning van het Fries en het Nedersaksisch waren de volgende:
De Werkgroep Erkenning Limburgs als Streektaal adviseerde om de erkenning van het Limburgs als streektaal na te streven langs de daarvoor geëigende bestuurlijke weg. Dit advies werd unaniem door Provinciale Staten overgenomen. Sinds 1997 is het Limburgs door de Nederlandse overheid erkend als streektaal onder de termen van artikel 2, paragraaf 1 van het Handvest.
Volgens de Nederlandse Taalunie is de erkenning van het Limburgs en het Nedersaksisch als minderheidstalen, naast het Fries, een ongelukkige keuze geweest. Deze uitspraak berust echter op geen enkel taalkundig argument. Uit de houding van de Nederlandse Taalunie ten aanzien van de nieuw erkende streektalen komt vooral naar voren dat de Taalunie de eenheid van het Nederlandse taalgebied poogt te bewaren. Op 1 december 2003 meldde het Dagblad de Limburger dat het volgens Hans Bennis, directeur van het Meertens Instituut in Amsterdam, niet goed is dat in Nederland twee dialecten (het Nedersaksisch en het Limburgs) zijn erkend als officiële streektaal. Volgens hem moet de overheid voorkomen dat ook andere streektalen zo’n door Brussel erkende status krijgen.
Zoals elke taal bestaat het Limburgs uit een aantal varianten of dialecten die fundamentele gemeenschappelijke kenmerken vertonen. Er bestaat geen gestandaardiseerde vorm van het Limburgs. Elke plaats heeft zijn eigen dialect, maar al deze varianten zijn onderling goed verstaanbaar.
Op initiatief van de werkgroep AGL worden er pogingen ondernomen om te komen tot een Algemeen Geschreven Limburgs om zo de productie van lesboeken, cursussen en goed leesbare literatuur te bevorderen. Deze pogingen stuiten echter op veel weerstand van lieden die zich zorgen maken over de mogelijke teloorgang van de verschillende dialecten onder invloed van zo een Algemeen Limburgs.
De Raad voor het Limburgs (De Raod veur ‘t Limburgs) is een vergadering van personen die door Gedeputeerde Staten van Limburg zijn benoemd om zorg te dragen voor het Limburgs. De Raad voor het Limburgs is de werkgever van de streektaalfunctionaris. Sinds 2001 is Pierre Bakkes benoemd tot de Limburgse streektaalfunctionaris. Deze functionaris is door het provinciebestuur belast met de dagelijkse zorg voor het Limburgs. Dat is nodig omdat het Limburgs moet concurreren met de andere talen die ook in Limburg voorkomen, zoals het Nederlands. De streektaalfunctionaris moet ervoor zorgen dat het Limburgs blijft bestaan.
De positie van het Limburgs in de samenleving is nog altijd sterk, maar verliest aan kracht door invloed van massamedia en mobiliteit. De Nederlandse overheid heeft zich verplicht tot het beschermen en aanmoedigen van het gebruik van de Limburgse taal, maar heeft tot op heden weinig initiatieven daartoe ondernomen. Het is met name aan de Limburgers, en in het bijzonder De Raad voor het Limburgs, de streektaalfunctionaris en ook individuen of instellingen die een positieve bijdrage kunnen leveren tot de versterking van de Limburgse taal, om doortastend op te treden en initiatieven te ontplooien om de positie van het Limburgs te bevorderen.
Met de onder het Criterium van Presentie genoemde ‘orthografische conventies’ worden verwezen naar de aanwijzigingen van de Vereniging Veldeke Limburg voor de spelling van de Limburgse dialecten. De zogeheten ‘Veldekespelling’ is gebaseerd op de regels die werden toegepast door Kats en Roukens in de jaren 1940 en 1950. De Veldekespelling werd definitief vastgelegd door Notten (1983) en later aangescherpt door Crompvoets (2001).
Uitgangspunt van de Veldekespelling is om Limburgse woorden zoveel mogelijk te schrijven volgens de conventies die gelden voor het Nederlands. Het Veldekeschrift is geen fonologisch schrift, maar een bijzondere mengvorm van verschillende taalkundige principes. Volgens Crompvoets dient men te spellen volgens de volgende principes:
Bovendien dient men vanwege de herkenbaarheid vreemde woorden (leenwoorden) in eerste instantie op de buitenlandse wijze te schrijven. Zijn ze gedeeltelijk aangepast, dan schrijft men ze gedeeltelijk in het Limburgs. Zijn ze geheel ingeburgerd, dan schrijft men ze geheel op de Limburgse manier. Men schrijft computer en niet kompjoeter, fax en niet faks, telefoon en niet tillefoon. De tendens is dus om vreemde woorden zo veel mogelijk intact te laten.
Het Veldekeschrift houdt het midden tussen een fonetisch, fonologisch, morfofonologisch en historisch schrift:
Het niet weergeven van bepaalde fonologische contrasten in de spelling is natuurlijk niet fout of verkeerd, dit in tegenstelling tot het niet weergeven van fonologische contrasten in een fonologische transcriptie. Er zijn genoeg voorbeelden van talen waarin er een aanzienlijke discrepantie bestaat tussen spraak en schrift, zoals het Engels en Frans. Een groot voordeel van een lossere band tussen spraak en schrift is dat het schrift kan worden gebruikt voor meerdere lokale varianten. Met name de Werkgroep Algemeen Geschreven Limburgs stelt dat een schriftstelsel geen fonologisch transcriptiemodel is voor plaatselijke uitspraak. Volgens de Veldekespelling bestaat er echter een nauwe band tussen spraak en schrift. Het Veldekeschriftstelsel voorziet in een grote hoeveelheid aan tekens om de meest uiteenlopende fonetische nuances tot uitdrukking te brengen. Persoonlijk ben ik ook voorstander van een tamelijk nauwe band tussen spraak en schrift. Een meer toegankelijke spelling voor de Limburgse dialecten kan, mijns inziens, worden verkregen door meer dan voorheen nadruk te leggen op gezamelijke fonologische kenmerken van de Limburgse dialecten.
Zoals het Nederlandse schrift is het Veldekeschrift feitelijk fonografisch van aard; dat wil zeggen, elk schriftteken (grafeem) geeft een bepaalde klankeenheid (foon) weer. Veldeke stelt dat een schrijver van een streektaal die vlot en zonder veel moeite gelezen wil worden, zijn schrifttekens zo dicht mogelijk dient aan te laten sluiten bij die van de standaardtaal van een land. Als bepaalde klanken van de streektaal echter niet voorkomen in de standaardtaal, dan dient de schrijver gebruik te maken van geschikte schrifftekens uit omringende talen. Bijvoorbeeld, volgens Veldeke dient de klank /a:/ te worden worden weergegeven door het grafeem aa ~ a-, omdat de klank /a:/ ook in het Nederlands voorkomt. De in het Nederlandse afwezige klank /œ/ dient daarentegen te worden weergegeven als ö, dat weer wel in het Duits voorkomt.
Crompvoets (2001) voert een aantal interessante verbeteringen door met betrekking tot de grafemen voor bepaalde karakteristieke Limburgse klanken:
Korte klinkergrafemen komen in de regel voor in gesloten lettergrepen, dat wil zeggen in lettergrepen die eindigen op een medeklinker. Om een lettergreep met een kort klinkergrafeem orthografisch gesloten te houden:
Lange eenklankige grafemen en tweeklankige grafemen komen voor in zowel open als gesloten lettergrepen. De tweeklankige grafemen, die altijd uit twee verschillende elementen bestaan, gedragen zich orthografisch als de lange eenklankige grafemen die uit twee verschillende elementen bestaan.
Medeklinkergrafemen die uit twee elementen bestaan, sluiten een lettergreep altijd af, bijvoorbeeld lache /’lɑxǝ/ ‘lachen’ en zègke /’zɛgǝ/ ‘zeggen’.
| Medeklinkers | ||
| Klank | Veldeke 2000 | Opgenort 2004 |
|
[p] (Ned. pad) [t] (Ned. tak) [tj] (Ned. lontje) [k] (Ned. kar) [b] (Ned. bad) [d] (Ned. dak) [g] (Fr. garçon) |
p t tj, dj k b d gk |
p t tj, dj k b d gg |
|
[f] (Ned. fiets) [s] (Ned. sein) [ʃ] (Engels shoe) [x] (Duits ich) [v] (Frans vie) [z] (Duits sein) [ʒ] (Frans jeu) [ɣ] (stemhebbende [x]) |
f s sj ch v z zj g |
f s sj ch v z - g |
|
[m] (Ned. mat) [n] (Ned. nat) [ɲ] (Ned. oranje) [ŋ] (Ned lang) |
m n nj ng |
m n nj ng |
|
[l] (Duits lang) [ʀ] (Frans rue) [j] (Ned. jas) [w] (Vlaams water) [h] (Ned. hak) |
l r j w h |
l r j w h |
| Klinkers | ||
| Klank | Veldeke 2000 | Opgenort 2004 |
|
[ɪ ] (Ned. kip) [i] (Ned. biet) [i:] (Ned. bier) [e:] (Frans été) [ɛ] (Frans mettre) [ɛ:] (Frans maître) [æ] (Engels bat) |
i ie iê ~ ie- ee ~ e- è ae e |
i ie iê ee ~ e- è ae e |
|
[ʏ] (Ned. put) [y] (Ned. minuut, minuten) [y:] (Ned. buurt) [ø:] (Ned. deur) [œ] (Duitse Köln) [œ:] (Frans freule) |
u uu uû ~ u- eu ö äö |
u uu ~ u- uû eu ö äö |
|
[ʊ] (Engels books) [u] (Ned. boek) [u:] (Ned. boer) [o:] (Frans beau) [ɔ] (Ned. pot) [ɔ:] (Frans corps) |
ó oe oê ~ oe- oo ~ o- o ao |
ò oe oê oo ~ o- o ao |
|
[ɑ] (Ned. kat) [a:] (Ned. vaart, varen) [ǝ] (Ned. het) |
a aa ~ a- e |
a aa ~ a- ë |
|
[ɛi] (Ned. meid, zijn) [œy] (Ned. muis) [ɔu] (geen voorbeeld) [ɑu] (Ned. flauw) |
ei, ij ui ou au |
ei, ij ui ou au |
Het uitgangspunt dat een schrijver van een streektaal die vlot en zonder veel moeite gelezen wil worden, zijn schrifttekens zo dicht mogelijk dient aan te laten sluiten bij die van de standaardtaal van een land, levert in de praktijk echter vele leesproblemen op. De grote uitdaging is dan ook om een zo toegankelijk mogelijke spelling voor het Limburgs te maken. Het aanwenden van een aantal eenvoudige taalkundige principes zorgt er, mijns inziens, voor dat de Veldekespelling op een aantal punten eenvoudiger, consistenter en herkenbaarder wordt.
De regel dat het medeklinkergrafeem na de korte klinkergrafemen ie, uu en oe steeds wordt verdubbeld in meerlettergrepige woorden, is bijzonder. Vergelijk bijvoorbeeld Veldeke-Limburgs gebruukke en boerre met Nederlands duren en boeren. De reden waarom deze conventie is ingevoerd, is duidelijk. Veldeke wil vasthouden aan het principe om de medeklinker na een korte, beklemtoonde klinker te verdubbelen. In het geval van de lange klinkergrafemen iê ~ ie-, oê ~ oe- en uû ~ u- wil ik voorstellen dat de lange klinkers ook het accent circumflex (^) behouden in open lettergrepen, zodat deze klinkergrafemen elk een allografische variant minder overhouden. In plaats van gebruuk ~ gebruukke of gebruûk ~ gebruke wil ik voorstellen om de volgende vormen te schrijven:
Kortom, pas het economische principe niet meer toe op uû ~ u-, maar wel nog op ee ~ e-, oo ~ o- en aa ~ a-. Op deze wijze gedragen de grafemen iê, oê en uû zich hetzelfde als ae, eu, äö en ao, die ook geen allografische varianten hebben.
Gebruik een accent grave (`) voor zowel /ɛ/ als /ʊ/. Kortom, vervang het accent aigu (´) in het Veldekegrafeem ó door een accent grave.
Vanuit fononologisch oogpunt verdient het de voorkeur om de ‘onbeklemtoonde klinker’, oftewel het schwa-foneem, een apart schriftteken toe te kennen, bijvoorbeeld het teken ë, dat door Veldeke gebruikt wordt bij de naslag.
Vanuit estetisch en typografisch oogpunt verdient het de voorkeur om een ander schriftteken dan een tilde te gebruiken voor de sleeptoon in woorden als boê~r ‘boer’. Een apostrof voor de geaccentueerde lettergreep met sleeptoon kan in plaats van de tilde worden gebruikt.
Het verschil tussen de plofklanken /p/ en /b/, enerzijds, en /t/ en /d/, anderzijds, blijkt uit de vele minimale paren die er zijn. Het stemhebbende foneem /g/ leidt een marginaal bestaan als geminaat /gg/ na korte klinkers. Het verschil tussen /k/ en /g/ is slechts van belang tussen twee klinkers waarvan de eerste kort is. Aan het begin van woorden heeft de Germaanse plofklank /g/ zich ontwikkeld tot een stemhebbende wrijfklank /ɣ/:
Het fonologisch verschil tussen de wrijfklanken /f/ en /v/, /s/ en /z/ en /x/ en /ɣ/ is marginaal betekenisonderscheidend in het Limburgs. Dit verschil is gefonologiseerd onder invloed van leenwoorden. De fonemen /v/, /z/ en /x/ komen voor aan het begin van woorden (in Anlaut) en intervocaal na lange klinkers of in lettergreepinitiële positie na klinkers (in Inlaut):
Deze distributie is het gevolg van een historisch proces waarbij Germaanse stemloze medeklinkers in bepaalde posities stemhebbend werden uitgesproken. De medeklinkers /f/, /s/ en /x/ komen met name voor in geminaten na korte klinkers en als beginmedeklinker in leenwoorden:
Er bestaat dus een duidelijk fonemisch contrast tussen /s/, /z/ en /S/ aan het begin van woorden:
Dit contrast is echter afwezig voor de medeklinkers /l/, /m/, /n/, /p/ en /t/. We kunnen zeggen dat het verschil tussen /s/, /z/ en /S/ wordt geneutraliseerd voor /l/, /m/, /n/, /p/ en /t/. Een element dat een neutralisatie of afwezigheid van een contrast tussen twee fonemen vertegenwoordigt, wordt archifoneem genoemd. Archifonemen zijn fonologische entiteiten met fonetische inhoud. Archifonemen worden in de regel getranscribeerd door middel van een hoofdletter. Het archifoneem /S/, dat een neutralisatie tussen /s/, /z/ en /ʃ/ vertegenwoordigt, komt voor in de combinaties /Sl/, /Sm/, /Sn/, /Sp/ en /St/. Ten oosten van de Panninger Lijn wordt het archifoneem /S/ gerealiseerd als [ʃ], terwijl dit archifoneem als [s] wordt gerealiseerd ten westen van de Panninger Lijn. Vanuit economisch oogpunt verdient het de voorkeur om de volgende vormen te schrijven in plaats van de fonetisch gebaseerde Oost-Panninger vormen met sjl [ʃl], sjm [ʃm], sjn [ʃn], sjp [ʃp] en sjt [ʃt].
Als een bepaalde klank voorspeld kan worden door de omgeving waarin die klank voorkomt, dan is die klank wellicht een variant of allofoon van een andere foneem. Een klank die geen foneem vertegenwoordigt, hoeft vanuit economisch standpunt geen onderdeel te vormen van het schriftstelsel. De klank [ʒ], die traditioneel als zj wordt weergegeven en overeenkomt met de j in het Franse jouer ‘spelen’, komt bijvoorbeeld in het Susterens alleen voor in combinatie met [w]. Er kan gesteld worden dat [ʒ] een allofoon is van de archifoneem /S/ voor het foneem /w/. Ook hier vertegenwoordigt /S/ een neutralisatie tussen /s/, /z/ en /ʃ/. In een fonologische gebaseerde spelling dient men de volgende onderstaande vormen te schrijven, terwijl een fonetisch gebaseerde spelling zjwaegël [‘ʒwɛ:²ɣǝl] ‘lucifer’ en zjweitë [‘ʒwɛi²tǝ] ‘zweten’ zou bevoorkeuren, omdat deze spelling dichter bij de uitspraak ligt.
De secondaire palatale articulatie van [nj], [lj], [njtj] en [ljtj] kan diachronisch worden geanalyseerd als mouillering van /n/ en /l/ voor /t/ en /d/. De klank [nj] wordt uitgesproken als ñ in het Spaanse señor ‘mijnheer’ en [lj] als li in het Franse lier [lje] ‘binden’. De klank [tj] klinkt ongeveer als c [c] in Indonesisch acar ‘atjar’. De mouillering komt niet voor aan het begin van woorden, omdat de clusters */nt/, */nd/, */lt/ en */ld/ historisch niet voorkomen aan het begin van woorden. De mouillering komt wel voor tussen twee klinkers en aan het einde van woorden. Er bestaat er een duidelijk fonologisch contrast tussen ongepalataliseerde en gepalataliseerde klanken, zoals blijkt uit de volgende woorden:
Een aparte fonologische status voor de klank [tj] is verdacht in het Susterens, omdat [tj] alleen voorkomt na de klanken [nj] en [lj] en dus distributioneel gebonden is. Naar alle waarschijnlijkheid hebben we dus te maken met een mouillering van het archifoneem /T/ na [nj] en [lj]. Er kan wellicht wel geconcludeerd worden dat [nj] en [lj] de status van foneem hebben met beperkte distributie. Vanuit historisch en economisch perspectief wens ik echter [nj] en [lj] te analyseren als de clusters /nj/ en /lj/:
Het archifoneem /Tj/ komt eventueel voor in dialecten waar vormen als gevatj bestaan (mits deze woorden verschillen van hypothetische woorden als *gevat). In werkwoordsvormen waarvan de stam op /nj/ en /lj/ eindigt, hecht de persoonsuitgang zich aan de stam, bijvoorbeeld meljt /mæ¹lTj/ ‘(hij) meldt’. De schrijfwijzen dj en tj worden hier verworpen.
De fonologisch relevante verschillen tussen stemhebbende en stemloze plof- en wrijfklanken komen niet voor in Auslaut. Aan het einde van lettergrepen worden deze klanken altijd stemloos uitgesproken. We kunnen dus zeggen dat het verschil tussen /p/ en /b/, enerzijds, en /t/ en /d/, anderzijds, wordt geneutraliseerd in eindposities. In tegenstelling tot het Nederlands, dat geen foneem /g/ kent, is de [k] aan het einde van een woord in het Limburgs ook een archifoneem:
Omdat het contrast tussen stemhebbende en stemloze plof- en wrijfklanken in het Limburgs wordt geneutraliseerd in Auslaut positie, kunnen [ɪx hœp] ‘ik heb’ en [hɛ:² lœp] ‘hij loopt’ als volgt worden gespeld. De spellingen met ch en p zijn dan fonetisch gemotiveerd.
Laten we vervolgens kijken de Veldekespellingen Zittert ‘Sittard’, Lömmerig ‘Limbricht’ en hóndj ‘hond’. Deze spelling van de eindmedeklinkers is inconsequent, want in Zittert /ˈzɪtǝrT/ wordt het archifoneem /T/ met het stemloze grafeem t geschreven, terwijl de archifonemen /X/ en /T/ in Lömmerig /ˈlœ¹mǝrɪx/ ‘Limbricht’ en ’hóndj /hʊ²njT/ ‘hond’ met de stemhebbende grafemen g en d(j) worden geschreven. Geen Limburger zal echter [ˈlœ¹mǝrɪɣ] zeggen met dezelfde [ɣ] als in gek [ɣæk] ‘gek’. De geschreven eind-g wordt daarentegen even stemloos uitgesproken als de ch in ich [ɪx] ‘ik’. We kunnen dus vaststellen dat de eindmedeklinker archifonemen /P, T, K/ als stemloze medeklinkers worden weergegeven. Dus, Zittert, Lömmerich en hònjt. De spelling voor het Limburgs wordt geraffineerder als wij de Nederlandse morfofonologische regels met betrekking tot de spelling van plof- en wrijfklanken overnemen. Vanuit het Nederlands weten we bijvoorbeeld dat paard met een d geschreven dient te worden geschreven, omdat het meervoud paarden is. Daarentegen dient lont met een t te worden geschreven, omdat het meervoud lonten is. Dankzij onze kennis van het gehele taalstelsel kunnen we dus achterhalen dat het archifoneem /T/ soms terugslaat op een d en soms op een t.
Woordformatieprocessen leren ons ook dat [zɑx] ‘zacht’ kan worden gekoppeld aan [zɑxt-] in [‘zɑxtǝʀ] ‘zachter’, en dat er een verband bestaat tussen [lœp] ‘(hij) loopt’ en [lœpt-] in [ˈlœptǝʀ] ‘loopt hij’. Kortom, we kunnen duidelijk aantonen dat het archifoneem /T/ aan het eind van woorden niet wordt uitgesproken na [p, t, k, f, s, x, m, ŋ], maar wel na [r, l, n]. Ik stel voor om ook hier niet fonetisch te spellen, maar om de de t vanwege structurele redenen daadwerkelijk te schrijven. Ook hier is de analogie met het Nederlands uiterst zinvol en levert een structureel fonologische of morfofonologische analyse van het Limburgs een herkenbaar woordbeeld op.
Crompvoets, Herman
2001. ‘Veldekespelling 2000, De Veldekespelling in een notedop’, Veldeke 76 (2001/1): 11-13.
Hoppenbrouwers, Cornelis; Hoppenbrouwers, Geer
2001. De indeling van de Nederlandse streektalen. Assen/Amsterdam: Van Gorcum.
Hout, Roeland van; Münstermann, Henk
1981. ‘Linguistische afstand, dialect en attitude’, Gramma: Nijmeegs Tijdschrift voor Taalkunde, 5 (2): 101-123.
Notten, Jan
1983. Aanwijzigingen voor de spelling van de Limburgse dialecten. Uitg. Veldeke 1983.