De Familienaam Opgenort
De familienaam Opgenort bestaat uit drie bestanddelen: het voorzetsel op, het bepaalde lidwoord gen en het zelfstandige naamwoord ort ‘oord’. De naam betekent dus letterlijk ‘op den oord’, waarbij ‘oord’ de betekenis heeft van ‘oeverland langs een rivier’. Varianten van mijn familienaam zijn Opgenoort, Opgenoord, Opgenord, Oppenoort, Oppenoord, Oppenort en Oppenord.
De vormen van gen
Het bepaalde lidwoord gen kan worden uitgesproken als gen [ɣən] in genot, maar met zachte stemhebbende zuidnederlandse g, of als jen [jən] in jenever. Het heeft onder meer de volgende verbuigingsvormen in de dialecten waar het nog actief wordt gebruikt:
- mannelijk: gene
- vrouwelijk: gen
- onzijdig: ge
- meervoud: gen
Het kerngebied van gen
Welter (1933) beweert dat het lidwoord gen actief wordt gebruikt in een betrekkelijk kleine zone op de westgrens van het Ripuarisch-Rijnse taalgebied:
- noordgrens: Roermond
- zuidgrens: de bron van de rivier de Roer
- westgrens: de rivier de Maas
- oostgrens: het midden van de Duitse ‘Kreise’ Heinsberg, Geilenkirchen, Erkelenz, München-Gladbach, Gulik (Jülich) en Düren
Volgens Jongen (1970) omvat het kengebied van het bepaalde lidwoord gen echter een kleiner gebied, te weten het zuidoosten van Nederlands-Limburg, het Germaanstalige gebied ten noordoosten van Luik en enkele grensdialecten op Duits grondgebied van Erkelenz in het noorden tot Monschau in het zuiden. Met andere woorden, de dialecten waarin gen nog actief wordt gebruikt (naast de of der), liggen in het zuidelijke deel van het Limburgs-Ripuarische overgangsgebied, tussen de isoglos zeggen/sagen in het westen en de isoglos maken/machen in het oosten. Buiten het kerngebied komt gen slechts voor als een historisch overblijfsel in bepaalde versteende uitdrukkingen en in plaatsnamen en hiervan afgeleide namen van personen, zoals Opgenort. Uit de archivalia van de stad Xanten blijkt dan gen ook in dit gebied voorkwam vanaf het midden van de XIIIe eeuw.

Verspreiding van de naam Opgenort
volgens De telefoongids (1993)
De oorsprong van gen als aanwijzend voornaamwoord
Volgens Welter en van Dijk (1931) is het bepaalde lidwoord gen onstaan uit het aanwijzende voornaamwoord jener ‘die’, dat in de loop der tijd een lidwoordelijke functie ontwikkelde naar voorbeeld van en onder invloed van het Romaanse aanwijzende voornaamwoord ille, dat zich later ontwikkelde tot het lidwoord il (later Frans le).
De lidwoordelijke oorsprong van gen
Dit standpunt wordt echter verworpen door Heinrichs (1952), die onderzoek heeft verricht naar het gebruik van gen in de archivalia van de stad Xanten en het dialectale materiaal van Welter (1933) opnieuw heeft bestudeerd. Heinrichs merkt namelijk op dat gen niet in alle naamvallen wordt gebruikt, maar slechts voorkomt in vaste grammaticale constructies die bestaan uit een voorzetsel van plaats, het bepaalde lidwoord en een zelfstandig naamwoord van plaatsaanduiding. De beperkte distributie van gen en het feit dat de naamvalsparadigma’s van gen en jener afwijkend zijn, pleiten tegen het standpunt dat het lidwoord gen een historische afgeleide van het aanwijzende voornaamwoord jener is. Het standpunt van Heinrichs wordt gedeeld door Jongen (1970).
| gen | mannelijk en onzijdig enkelvoud datief: gon, gen, ghen, gen |
| vrouwelijk enkelvoud datief: gher, ger, goer | |
| jener | mannelijk enkelvoud datief en accusatief: ghenen, ghene, gheen |
| vrouwelijk enkelvoud datief: gherre, gheenre, ghere | |
| vrouwelijk enkelvoud accusatief: ghene | |
| meervoud datief: ghenen |
Het gebruik van gen met voorzetsels
In het historische materiaal uit Xanten komt het bepaalde lidwoord gen slechts voor met een aantal voorzetsels.Opvallend is dat deze voorzetsels en lidwoorden veelal aan elkaar werden geschreven. Deze schrijfwijze hangt volgens Heinrichs vermoedelijk samen met sterke fonologische interactie die er bestaat tussen een voorzetsel en een lidwoord in deze dialecten.
- in in ingen (ca. AD 1300)
- an in angen (AD 1255)
- op in opgen (AD 1336, maar vooral in de XVe en XVIe eeuw)
- van in vangen (AD 1354, maar vooral in de XVe en XVIe eeuw)
- te in tegen (ca. AD 1400)
- bi in bigen (ca. AD 1410)
- uyt in uyt gen (AD 1435)
- over in overgen (AD 1567)
Gutturalisatie van nd
Een sterke fonologische interactie tussen min of meer onafscheidelijke eenheden laat vermoeden dat het lidwoord gen is ontstaan door gutturalisatie van de sequentie nd, bijvoorbeeld inden ‘in de’ > ingen en anden ‘aan de’ > angen. Het algemeen gebruik van de voorzetsels in en an in samenhang met het lidwoord gen en de gutturalisatie van nd kan met zekerheid worden teruggevoerd tot het midden van de XIIIe eeuw. Het gebruik van gen met de voorzetsels op, te, bi, uyt en over is echter geen kwestie van gutturalisatie, maar van analogie. Als gevolg van deze regularisatie kon gen later worden geheranalyseerd als een ongebonden vorm, die als bepaald lidwoord functioneerde.
De betekenis van gen
Jongen (1970) stelt dat gen een voortzetting is van het bepaalde lidwoord der om semantische en vormelijke reden. In het dialect van Moresnet, dat gelegen is in het kerngebied van gen, kunnen bepaalde monosemantische mannelijke en onzijdige zelfstandige naamwoorden met de verbuigingsvormen de of et van het lidwoord der onder bepaalde omstandigheden eveneens de vrouwelijke vormen gen, jen, en en n van het lidwoord gen gebruiken. Monosemantische realiteiten zijn unieke entiteiten waarmee de spreker en toehoorder bekend zijn en die deel uitmaken van de fysieke wereld (de zon, de aarde) of van hun eigen leefwereld (familie, boerderij, dorp).
- Semantische reden. De vorm gen wordt gebruikt
wanneer de betekenis van het zelfstandig naamwoord verder af komt
te liggen van de basisbetekenis van het woord, bijvoorbeeld de
hals ‘de hals’ (letterlijk) vs.
om gen hals ‘[iemand] om de hals [vallen]’.
Het gebruik van gen geeft aan dat zelfstandige naamwoorden in een meer globale betekenis worden gebruikt, bijvoorbeeld, op gen armen ‘[niets] op de armen [hebben]’, dat wil zeggen ‘onbedekte armen hebben’. Door gen te gebruiken, kan de spreker bovendien de uniciteit van een bepaalde entiteit in zijn eigen leefwereld benadrukken. Het lidwoord der wordt daarentegen gebruikt als het zelfstandig naamwoord verwijst naar een concrete specifieke situatie waarbij de spreker de individualiteit van de entiteit wil benadrukken, bijvoorbeeld in et bos ‘in het [genoemde maar willekeurige] bos’ of op de armen ‘[de mieren] liepen over de [zijn] armen’.
- Vormelijke reden. Deze zelfstandige naamwoorden beginnen bovendien (toevallig?) met een klinker of de dentale medeklinkers d, r of n of met h. Merk op dat in vele Limburgse dialecten de oude accusatieve vorm van het bepaalde lidwoord mannelijk enkelvoud de zijn finale n heeft behouden, bijvoorbeeld Sittards den hóndj ‘de hond’.
De teloorgang van het volkse gen
Het lidwoord gen in het geschreven historische materiaal van Xanten is volgens Heinrichs kenmerkend voor de volkstaal. Het lidwoord heeft in de loop der tijd in sommige streken waar het ooit voorkwam, het gevecht verloren van het lidwood der. Het lidwoord der was een sterke tegenstander van gen, omdat der kon worden gebruikt in meer grammaticale constructies en omdat der eveneens werd bevoorkeurd in de officiële taal der kanselarijen. Bovendien won der later aan kracht onder invloed van het algemeen Nederlands en Duits.